COLUMN - De afgelopen weken zaten we in de hondsdagen. Vroeger een garantie voor de warmste periode van het jaar waarin er gehooid moest worden en je werd geteisterd door wespen en muggen. Die garantie is er niet meer. De regenjas kan zomaar nodig zijn. Dat gebeurde vroeger minder vaak, en als het gebeurde beloofde het niet veel goeds. ‘Zijn de hondsdagen nat en koel, dan vult zich later schuur en spoel.’
De hittegolven kunnen al veel eerder en/of nog later zijn. Desondanks was het de afgelopen weken toch weer ouderwets heet en droog. Maar dat was het al vaker geweest, met maisplanten die nog deprimerender ogen dan een treurwilg en groene velden die zijn verworden tot Sahara-vlakten tot gevolg. Het zweet liep ons weer blaank deur ’t köttelpad en de ijscoboeren deden goede zaken. De hondsdagen. Het blijkt te maken te hebben met de Hondsster, Sirius. Beetje lullig dat onze trouwe viervoeters er weer mee geassocieerd moeten worden. Want een positieve associatie is het niet. De hondsdagen vinden hun oorsprong in de stand van de sterren, maar in de praktijk herkennen we ze aan de otto vol maden. En dat terwijl het pak zure melk en de schaal bedorven fruit nog op het aanrecht staan. Je zou er hondsdol van worden. Brrrr, maden. Veel mensen gruwelen van spinnen, maar die mogen gerust over mijn armen lopen. Maar om niet de illusie te wekken dat ik een superheld ben zoals Spiderman – zal ik opbiechten dat ik de rillingen krijg van langgerekte, kronkelende en glibberende beestjes zonder poten. Wanneer we vroeger gingen vissen ‘vergat’ ik mijn maden of wormen. Ik doe wel met brood’, bleef ik volhouden terwijl vriendjes de ene naar de andere vis eruit hengelden. Bij een krioelende worm of larve aan het haakje, haak ik af. Dan maar achter het net vissen.