COLUMN - Menig Tukker zal nog steeds aan het nagenieten zijn van het spektakelstuk van afgelopen zondag in een kolkende Grolsch Veste. Eerst een voorsprong, toen gelijk, achter, weer gelijk en uiteindelijk toch nog dikverdiend winnen van de landskampioen. Een FC Twente-PSV voor in de boeken. Mijn eigen comeback op het heilige gras van SDC ’12 maakte het voetbalweekend compleet. Twintig jaar geleden gingen de zwarte kicksen aan de wilgen voor een zaterdagbaantje tussen de koffiebonen van Tensundern. Na in de tussentijd in de zaal achter een bal aan te hebben gerend, was het vrijdagavond tijd voor de rentree. Niet in de groene shirts van de jeugd van DOS ’19, maar in het maagdelijk wit van SDC ’12. In de 35+ competitie. Op kunstgras. Wel op dezelfde voetbalschoenen die voor de gelegenheid weer uit de wilgenboom waren gehaald. Poetsen was overbodig, aangezien mijn tong al snel op het leer lag. Na de eerste sprint dienden mijn bovenbenen een bezwaarschrift in. Na afloop volgden de spieren waarvan ik het bestaan was vergeten. Gelukkig had onze formatie genoeg wisselspelers en voetballers die nog wel recentelijk veldvoetbal hebben gespeeld.
Was dan alles slechter dan twintig jaar geleden? Nee, de ijskoude pilsjes die we na afloop in de kantine kregen, mocht ik toen nog niet. Afijn, mijn eigen voetbaldroom had ik in die tijd al opgegeven. Om precies te zijn toen Ajax voor een oefenwedstrijd tegen DOS ’19 op Sportpark de Molendijk kwam. De internationale topclub Ajax die prijzen pakte, welteverstaan. Kun je nagaan hoe lang geleden het was. Maar FC Twente was mij met de paplepel ingegoten, dus ik was meer bewonderaar van Ellery Cairo met zijn schaartjes. In de rust, met alle scouts op de tribune om voor te shinen, besloot ik mijn moment of fame te pakken. Met een uit de bosjes geviste bal dribbelde ik het natte veld op. ‘Daar gaat Cairo’, spookte door mijn gedachten. Mijn rechterbeen ging diagonaal naar binnen voor de schaar. Maar al bij het afzetten van mijn noploze schoen gleed ik uit alsof er een bananenschil lag. Daar lag ik, op het hoofdveld, achterovergevallen op mijn gat. Gelach in plaats van geklap. De jongensdroom in duigen. Beteuterd droop ik af.
Dan maar de troostprijs: na de wedstrijd met een speler op de foto. Na het laatste fluitsignaal zwermden echter groepen grotere kinderen rond de internationals die zich snel een weg naar de kleedkamers probeerden te banen. Maar toen spotte ik de grootste ster verderop naast het veld: toenmalig technisch directeur Louis van Gaal. De Tulpengeneraal! Met mijn oude Nikon fototoestel sprintte ik naar onze oud-bondscoach. “Louis, Louis, mag ik met u op de foto!?” Ik had het nog maar net gezegd toen er ook een volwassene aan kwam sprintten die mij zonder pardon opzij beukte. Hitsig drukte de man met een perskaart om zijn nek een recorder onder de neus van Van Gaal en begon vragen te stellen. “Zie jij niet dat er een jongen is die met mij op de foto wil? Schaam jij je niet”, begon Van Gaal de iets te razende reporter op kenmerkende Van Gaalwijze de les te lezen. De norse man van tv was superaardig tegen mij en nam uitgebreid de tijd voor een praatje en foto. Als een pitbull hield hij, met boze blikken, het toegesnelde journaille op afstand. Toch nog een klein stukje jongensdroom uitgekomen. De volgende dag las ik in de krant hoe Van Gaal zich hautain over het complex had bewogen…