Terug
column guido tijman.jpeg
Column

Boertjes naar de grote stad

COLUMN - Rondom Pasen en Pinksteren worden vaak de Eerste Heilige Communie en het Vormsel uitgereikt. Niet meer zoveel als vroeger, maar nog steeds zijn er kindertjes die hun heilige sacramenten ontvangen. En – ook niet geheel onbelangrijk voor de kleine ekstertjes – een horloge, vulpen, sieraad of gevulde envelop. Toch mooi meegenomen, zo’n soort extra verjaardag. De voorbereidingstijden waren ook mooi. In Noord Deurningen gingen we destijds naar de overkant van de straat op bezoek bij de bakker, waar Hans Berning ons de fijne kneepjes van het vak liet zien. Als ongeduldige en verwaande communicantjes schreeuwden we in koor ‘Ik wil Bolletje!’. Er lag iets dat veel lekkerder was op ons te wachten in de oven, maar dat was nu eenmaal de aanstekelijke reclame die we op tv hadden gezien. Alle Bijbelverzen waren nog niet tot onze kinderkoppies doorgedrongen… Menig ouder van rond de eeuwwisseling, en Hans van de Bakker, zal Bolletje er nog steeds om vervloeken.

Guido Tijman |

Met het Vormsel werd het grootser aangepakt. Niet naar de overkant van de Johanninksweg, maar naar Utrecht! Met de trein! Waar ‘onze’ pastoor Schnell – die ons nog de communie had gegeven en daarna thuis kwam bezoeken met een Kinderbijbel als cadeau – inmiddels priester was. Met de boertjes naar de grote stad, wat een avontuur was dat. Voor de meesten van ons was het überhaupt de eerste keer in hun leven dat we in een trein stapten, als we die van Hellendoorn en Slagharen niet meerekenen. Er ging dan ook de nodige voorbereiding aan vooraf. ‘Bij elkaar blijven’, ‘niets aanpakken van vreemden’ en ‘bij niemand instappen’, werd ons op het hart gedrukt. Eindeloos werd het gerepeteerd totdat we bijna in de veronderstelling waren dat Utrecht grotendeels bestond uit zwervers en junks die ons wilden ontvoeren of vergiftigen met drugs. En dan dachten ze ook nog dat de melk uit een fabriek kwam. Ja, het was wat, daar in die grote enge boze stad.  Eenmaal aangekomen was er dan ook niets over van de Ik wil Bolletje-bravoure en keken we onze oogjes uit in de Domstad. Alsof de kathedraal de veilige haven was in een computergame vol mijnenvelden, beenden we ons erheen. Want dat was net als onze St. Jozefkerk een Godshuis waar vast alleen maar vrome mensen zouden zijn. Vast geen drugsdealers, dieven of ander eng gespuis. En inderdaad, na de ontvangst door pastoor Schnell bleef de Utrechtse vijandigheid beperkt tot wat speldenprikjes tussen FC Utrecht en FC Twente. En de snoepjes die we kregen waren helemaal geen drugs. Een letterlijk hoogtepunt was het beklimmen van de Domtoren. Ook vielen de snaveltjes even stil toen Meester Braakman op het orgel ging spelen. In de St. Catharinakathedraal – de bisschopskerk van ons aartsbisdom – in plaats van achter zijn vertrouwde plek in de St. Jozefkerk. Maar ook buiten de kerkmuren waren ze eigenlijk best vriendelijk in de Domstad. En zo kwamen we thuis met ’t köpke vol mooie herinneringen aan de grote stad. Thuis, daar waar de melk gewoon van de koe komt.