Terug
DSC_0245.JPG Foto ter illustratie
Uitgaan & Cultuur

Lachen blijkt geen culturele luxe, maar existentiële noodzaak

BEUNINGEN - Jorien ten Barge werkt als programmabegeleider van het COA op het AZC in hotel Dinkelloord. Op deze locatie woont Qasem Al-Mahbashi die professor filosofie is en schrijft over de dingen die hij in Nederland meemaakt. Hieronder het verslag dat hij maakte over de carnavalsoptocht. De tekst is vertaald in het Nederlands.

De redactie van dit blad |

Afgelopen zaterdag, 14 februari 2026, kreeg ik voor de tweede keer de gelegenheid om het stadscarnaval bij te wonen. Samen met een dierbare vriend ging ik te voet, zonder te verwachten dat wat ik zou meemaken meer zou zijn dan een voorbijgaand feestelijk spektakel. Al snel bleek het echter een intense culturele ervaring te zijn, die diepere vragen opriep over de betekenis van het vieren, de functie van vreugde en de grenzen van de relatie tussen samenleving en vrijheid. Vanaf het eerste moment ging het geluid vooraf aan het beeld: het ritme van trommels en golven van luide muziek bereikten ons resort nog voordat wij het stadscentrum bereikten. Optochten van auto’s en open wagens uit Oldenzaal vervoerden gemaskerde menigten met kleurrijke hoeden en theatrale kostuums, terwijl groepen mensen zich in dichte stromen — letterlijk groep na groep — vanuit het bos naar het feestelijke centrum begaven. Op dat moment besefte ik dat sommige woorden niet uitsluitend binnen de taal begrepen kunnen worden, maar pas werkelijk betekenis krijgen binnen de levende ervaring; betekenis ontstaat niet in het woordenboek, maar in het menselijke samenzijn. Toen wij het centrum bereikten, leek het alsof de stad tijdelijk uit de alledaagse tijd was gestapt en een andere tijd was binnengetreden. Wegen werden afgesloten, de publieke ruimte werd opnieuw vormgegeven en de kleine stad veranderde in een open collectief toneel. Het individu was niet langer slechts toeschouwer, maar onderdeel van een gezamenlijk sociaal tafereel. De zin die tegen mij werd gezegd — “deze stoel behoort aan het volk” — vatte de geest van het hele gebeuren samen. Het feest was geen voorstelling om alleen te bekijken, maar een symbolische praktijk van gelijkheid binnen de publieke ruimte, waar iedereen op gelijke afstand van de vreugde stond. Terwijl ik de feestelijke optocht gadesloeg, kwam het begrip van het “carnavaleske”, zoals ontwikkeld door de Russische denker Mikhail Bachtin, in mijn gedachten op. Hij beschouwde het carnaval als een cultureel fenomeen dat verder gaat dan louter feestelijkheid, namelijk als een tijdelijke opschorting van de sociale orde. Tijdens het carnaval vervagen de grenzen tussen het officiële en het populaire, tussen ernst en humor, tussen macht en publiek, en wordt het lachen een vorm van kennis die de eenzijdigheid van het officiële discours doorbreekt. Het carnaval is hier geen chaos, maar een andere vorm van orde — een orde die de samenleving in staat stelt zichzelf buiten haar gebruikelijke beperkingen te zien en zichzelf kritisch te benaderen zonder directe politieke confrontatie. Maskers zijn daarom niet slechts decoratie, maar symbolische instrumenten van bevrijding; zij verbergen de identiteit niet zozeer als wel dat zij de mens de mogelijkheid geven iemand anders te worden en alternatieve bestaansmogelijkheden te ervaren buiten zijn vaste sociale rollen. De mens is immers, in wezen, een wezen met vele rollen. In het dagelijks leven vervult hij de rollen van zoon of dochter, leerling, student, partner, burger, leraar, werknemer of intellectueel, elk met eigen regels en normen. Het carnaval biedt echter een zeldzaam moment waarin deze rollen tijdelijk worden opgeschort, waardoor het individu zich bevrijdt van sociale hiërarchieën. Het lachen wordt — zoals Bachtin stelt — een tegenwereld tegenover de officiële wereld, waarin de gemeenschap zichzelf viert en symbolen en machtsverhoudingen op een ironische maar diep betekenisvolle wijze herverdeelt. Het begrijpen van het carnaval blijft echter onvolledig zonder een dieper inzicht in de filosofie van het spel zelf. De Nederlandse filosoof Johan Huizinga stelde dat de menselijke beschaving niet uitsluitend uit arbeid is voortgekomen, maar ook uit spel. Recht, kunst, rituelen en zelfs politiek dragen in hun oorsprong een speelse structuur gebaseerd op symboliek en representatie. Spel is geen tegenpool van ernst, maar een verborgen voorwaarde ervan, omdat het de mens een tijdelijke ontsnapping biedt aan economische en sociale noodzaak en zo psychisch en collectief evenwicht herstelt. Onderzoek binnen de gedragsbiologie en affectieve neurowetenschappen toont bovendien aan dat spel een fundamentele biologische functie is bij zoogdieren, omdat het sociale relaties helpt ontwikkelen, vertrouwen opbouwt en risico’s laat verkennen binnen een veilige ruimte. Vreugde blijkt daarmee geen culturele luxe, maar een existentiële noodzaak. Vanuit dit perspectief kan lachen worden begrepen als een zachte sociale kracht. In het middeleeuwse Europa, zo laat Bachtin zien, bouwde het lachen een “tegenwereld” tegenover de officiële orde, waarin satire de samenleving in staat stelde macht te bekritiseren zonder directe confrontatie. Het is kritiek via vreugde in plaats van conflict — een subtiel evenwicht tussen orde en bevrijding. Hier sluit ook Friedrich Nietzsche bij aan, die stelde dat het menselijke leven altijd een dionysisch, feestelijk element nodig heeft als tegenwicht voor strikte rationaliteit; een beschaving die haar vermogen tot vieren verliest, verliest geleidelijk haar vitaliteit. Wat mij in dit carnaval het meest trof, was niet alleen de vreugde, maar het uitgesproken civiele karakter ervan. De optochten vertegenwoordigden geen tribale of sektarische identiteiten, maar sectoren van arbeid, productie en kennis: arbeiders, boeren, leraren, artsen, studenten en sporters. De stad presenteerde zichzelf aan zichzelf, alsof de samenleving haar eigen vermogen tot organisatie en samenwerking vierde. Hier verschijnt het feest als een beschavingsindicator: stabiele samenlevingen kunnen vieren omdat zij in zekere mate controle hebben over hun historische tijd, waardoor het feest een collectieve erkenning van prestaties en een uitdrukking van vertrouwen in de toekomst wordt. Samenlevingen die daarentegen leven binnen cirkels van angst en onzekerheid — gekenmerkt door oorlog, corruptie en een gebroken historisch perspectief — verliezen de diepere betekenis van het vieren, omdat men niet kan vieren wat men niet als duurzaam ervaart. Tijd verandert daar in een gesloten cirkel die het verleden herhaalt in plaats van een toekomst te openen, en het besef verdwijnt dat geschiedenis een beweging is van verleden naar heden en naar wat nog komt. Sinds de prehistorie heeft de mens regen, oogst en de wisseling van seizoenen gevierd, omdat vieren in wezen een symbolische overwinning is op de kwetsbaarheid van het bestaan. De levenden zijn degenen die hun leven vieren, zelfs wanneer het lijkt alsof zij hun doden herdenken. Wat ik zag was daarom geen lokaal festival alleen, maar een diep culturele les: wanneer mensen samen vieren, ontsnappen zij niet aan de werkelijkheid, maar herscheppen zij haar symbolisch. Via muziek, lachen en maskers verklaren zij dat een samenleving niet uitsluitend leeft van arbeid, maar ook van haar blijvende vermogen tot vreugde. Het feest is uiteindelijk geen randverschijnsel van de beschaving, maar een van haar bestaansvoorwaarden en een wezenlijke uitdrukking van haar menselijkheid.