COLUMN - De sleutels zijn teruggegeven, de steken opgeborgen, de askruisjes opgehaald en het vastentrommelke kan weer worden gevuld. De dree dolle daag’n zitten erop en de vastentijd is begonnen. Of het bij drie dagen gekkigheid is gebleven – en bij veertig dagen vasten blijft, valt te bezien. De hedendaagse katholiek heeft immers een geweten als een elastiek. De feesten zijn waardevoller als het iets blijft om naar uit te kijken.
Niet voor niets zijn we in Dinkelland zo goed in carnaval vieren: tussen de elfde van de elfde en Aswoensdag is dat de perfecte overbrugging van de korte, koude en donkere dagen voordat het vizier weer naar alle tent- en schuurfeesten kan. Na corona zijn ze in Oldenzaal wat aan het klooi’n geweest met een optocht in vastentijd. Het had meer weg van de Schrale Twentse Carnavalsoptocht dan van de Grote Twentse Carnavalsoptocht die normaliter op carnavalszondag door de Boeskoolstraten paradeert. Wat ’n fuske! Carnaval buiten de elfde van de elfde en Aswoensdag is net als midwinterhoornblazen buiten Advent en Driekoningen. Of, om het maar even in buutreednerstermen te houden, driet’n in bad: het kan wa, mer het heurt nich.
Net zoals dingen als zomercarnaval, dat vooral buiten het platteland wordt gevierd, waar ze niet weten hoe je echt carnaval moet vieren. Hier zou het vooral nivellering van tradities veroorzaken – net zoals housemuziek bij Poaske. Hopelijk blijven dat soort fratsen buiten de Dinkellandse grenzen en blijven we de tradities in ere houden door de roots van de feesten te respecteren. Ondertussen begint het een beetje een oudemannencolumn te worden, maar geen zorgen: het is niet met een ganzenveer geschreven en er zit geen azijn in mijn toetsenbord. En een bakje visfriet of kibbeling smaakt ook goed. Wat voor lekkers er donderdag op het menu staat, zie ik dan wel weer.