COLUMN - Het is vrijdagochtend. Daags voor carnaval. Ik sla de krant open en verwacht de zoveelste voorbeschouwing op de Drie Dolle Dagen Alle facetten komen ieder jaar telkens weer aan bod: kosten, veiligheid, sluitingstijden, consumptiebonnen.
Eerlijk is eerlijk, dit jaar was er wel een noviteit in de Boeskoolstad, je kon plasbonnen kopen. Echt waar. Ik heb er eentje ingelijst. Nog meer plasnieuws. Bij de gala in ons dorp stonden voor het eerst plaszuilen. Wel vaker van die grijze wigwams gezien, maar dat ze plaszuilen worden genoemd geeft de boel toch wat meer cachet. “Ik begeef me even naar een plaszuil”, klinkt toch net iets anders dan “ik moet pissen.” Drink rustig een kopje koffie, we plassen zo nog even verder. Want op de eerdergenoemde vrijdagochtend stond een prachtig stuk over de luiaard in de krant.
Dorpsgenoot en bioloog Henny Grijpma vertelt er smeuïg over. Heel eerlijk, ik las eerst luipaard. Fout! Fout! Zonder P! Luiaard! De panter lijkt er zelfs niet op. Ik had er nog nooit van gehoord. Als je de luiaard live wilt zien én aaien, moet je in Tierenpark Nordhorn wel even die Brieftasche herausnemen: 249 euro. Maar wat heeft dit allemaal met plassen te maken? Nou, dat zal ik u vertellen. De luiaard komt slechts één keer per week uit de boom naar beneden om te plassen, zo legt Henny uit. Het plaszuiltje hoeft slechts om de zeven dag te worden schoongemaakt. Maar nog een veel groter voordeel. De luiaard hoeft geen plasbonnen te kopen. Scheelt toch een slok op een pilsje.
Peters Pen